| |
De kerkelijke cantates
van J.S. Bach
Cantate BWV 67 “Halt in Gedächtnis Jesum
Christ”
Liturgische context
Zondag “Quasimodo
Geniti” of ook wel “Beloken Pasen”. Twee oude namen
voor de eerste zondag na Pasen. De eerste is een oud-kerkelijke naam,
de zondag van de nieuwgeboren kinderen; dat zijn de dopelingen van de
paasnacht. Zij leggen hun witte kleding af na deze dag. De andere is
een Oud-nederlands woord dat zoveel zegt dat de luiken gesloten worden.
Beide zeggen zij iets over het feest dat na acht dagen nu afgelopen is,
en over het gewone leven dat zich weer aandient. De evangelielezing voor
deze zondag is Johannes 20 : 19 - 31, het verhaal van de verschijning
van Jezus aan de discipelen, en de ’ongelovige’ Thomas. Deze
lezing sluit aan bij de gevoelens van vreugde gemengd met verwarring
en twijfel na de gebeurtenissen van Goede Vrijdag en Pasen. Deze thematiek
staat dan ook centraal in de cantate “Halt im Gedächtnis Jesum
Christ”
Cantate 67
De tekst van het openingskoor is ontleend aan 2 Timoteüs
2 : 8 Houd Jezus Christus in gedachten, uit het nageslacht van David,
die uit de dood is opgewekt. Het paasfeest klinkt nog na; de cantate
begint met een opgewekte inzet van het orkest waarbij het koper feestelijk
de boventoon voert. Dan volgen in het koor twee motieven. Het eerste
op de woorden “Halt in Gedächtnis Jesum Christ”, in
een lang aangehouden noot op het woord “Halt”: houdt vast,
zo lang mogelijk. Maar ook in korte akkoorden in de andere stemmen, als
het ware in de betekenis van halt, sta er bij stil.
Het tweede motief vinden we op de woorden “der auferrstanden ist
von den Todten” met veel omhooggaande figuren, zinnebeeldig voor
de verrijzenis. De twee teksthelften worden fugatisch met elkaar vervlochten,
en afgewisseld met instrumentale passages. Verder herinnert de sopraanmelodie
aan het “O Lamm Gottes unschuldig”. De Opgestane is de Gekruisigde,
daarom moeten wij Hem in gedachtenis houden.
Dan volgen een tenor-aria en een alt-recitatief waarin
de strijd tussen geloof en twijfel verder uitgebeeld wordt en uitmondt
in het paaskoraal “Erschienen ist der herrlich Tag”. De alt
richt dan in een recitafief onze blik op de Friedefürst die zich
vervolgens ook daadwerkelijk aandient met de vredesgroet “Friede
sei mit euch” waarmee hij zich kenbaar maakt aan zijn discipelen
(Joh 20 : 19 en Joh 20 : 26)
Deze woorden worden gezongen door de bas (door Bach vaak gebruikt als
de stem van Christus) in een pastoraal ritme met een welhaast bovenaardse
begeleiding van de houtblazers. Dit is in groot contrast met de sopraan,
alt en tenor die in heftige bewegingen over de strijd van de gelovigen
tegen dood en ongeloof zingen, begeleid door felle violen. Na al deze
dramatisch contrasten besluit de cantate met een eenvoudige en pure zetting
van het koraal “Du Friedefürst, Herr Jesu Christ”, waarvan
de tekst is geschreven door Jakob Eber.
Deze cantate is één van de buitengewone
voorbeelden van het vermogen van Bach om een dramatisch statement te
maken, dat tegelijkertijd van een grote verinnerlijking en diepzinnigheid
getuigt.
Gerard van Zwieten

|